De impact van inflatie op een passief beleggingsbeleid uitgelegd
Euro’s tegenover boodschappen
Uw passieve portefeuille kan in euro’s groeien terwijl u er in de winkel steeds minder mee kunt kopen, want inflatie vreet aan het reële rendement.
- Nominaal is wat op uw overzicht staat, reëel is wat u na aftrek van de prijzen overhoudt; reëel rendement is nominaal rendement min inflatie op één regel.
- Een plus op papier kan een min in koopkracht zijn: 2,5% rente met 3% prijsstijging betekent -0,5% reëel, het saldo groeit maar het mandje groeit sneller.
- In september 2026 stonden twee cijfers naast elkaar: 3,4% volgens de nationale CPI en 3,0% volgens de geharmoniseerde HICP; noem altijd welke index u gebruikt.
- Een indexfonds schuift niets bij als de prijzen oplopen, dus de klap via rente en verwachte winsten komt volledig aan.
- Op heel lange termijn versloegen aandelen de inflatie, maar niet automatisch elk jaar; dit stuk legt het mechanisme uit en is geen persoonlijk financieel advies.
Uw portefeuille groeit in euro’s, maar niet in koopkracht
U opent uw beleggingsapp en ziet groene cijfers. Het saldo staat hoger dan vorig jaar en dat voelt als vooruitgang. Om de impact van inflatie op een passief beleggingsbeleid uit te leggen moet u toch twee bedragen uit elkaar houden.
Nominaal is wat er op het scherm staat in euro’s. Reëel is wat u daar in de winkel nog mee kunt kopen nadat de prijzen zijn gestegen. Het reële resultaat haalt u er met één aftreksom uit: nominaal rendement min inflatie.
Neem het voorbeeld van de Europese Centrale Bank: 1.000 euro met 2,5% rente. U heeft na een jaar 1.025 euro op het overzicht. Stijgen de prijzen dat jaar met 3%, dan heeft u 1.030 euro nodig voor hetzelfde mandje boodschappen. Uw reële rendement is dan -0,5%, terwijl er niets op het overzicht is gedaald.
Daar zit de denkfout die veel beginnende beleggers maken bij passief beleggen. Een portefeuille die 5% of 7% hoger staat heeft nog niets verslagen. Pas als u die stijging naast de kosten van het levensonderhoud legt, ziet u of uw vermogen en uw koopkracht echt zijn gegroeid.
Met welk inflatiecijfer u rekent, verandert de uitkomst
Een dalende inflatie voelt als verlichting, maar het is geen prijsdaling, zoals de Nederlandsche Bank benadrukt: prijzen stijgen dan alleen minder snel door. Zie het als een lopende band die langzamer loopt zonder ooit van richting te veranderen: uw geld wordt nog steeds minder waard, alleen in een lager tempo.
Alleen bij deflatie, een negatief percentage onder nul, gaan prijzen echt omlaag. Zolang het cijfer positief blijft, betaalt u voor brood van 2,50 euro eerst 2,70 euro en later 2,75 euro. Het percentage zakt van 8% naar 2%, maar het brood wordt toch duurder.
Voor september 2026 circuleren twee Nederlandse cijfers voor dezelfde maand. De nationale CPI van het CBS komt uit op 3,4% ten opzichte van een jaar eerder, na 3,3% in augustus. De geharmoniseerde HICP voor Nederland van Eurostat komt uit op 3,0% voor september 2026. Benoem dus altijd de index, anders lijkt het alsof twee bronnen elkaar tegenspreken.
Die tweede maatstaf telt mee voor de Europese doelstelling van 2% op de middellange termijn. Met 3,0% zit Nederland daar nog boven. Hoe groot de kloof kan zijn zag u in september 2022, toen de geharmoniseerde maatstaf piekte op 17,1%. In zo’n jaar moest een portefeuille meer dan 17% stijgen om alleen al de koopkracht vast te houden, en dat jaar ging de koopkracht van huishoudens hard omlaag.
De tabel hieronder laat zien wat u reëel overhoudt bij een bepaald nominaal rendement en een bepaalde prijsstijging. De percentages van 7% en 0% zijn pure rekenvoorbeelden om de formule te tonen, geen verwachting voor aandelen of obligaties.
| Wat u op uw scherm ziet | Wat de prijzen doen | Wat u reëel overhoudt |
|---|---|---|
| 7% nominaal, rekenvoorbeeld | 3,4% CPI september 2026 | Ongeveer 3,5% reëel per jaar |
| 0% gedurende 10 jaar | 3,4% inflatie per jaar | Ongeveer 28,4% minder koopkracht |
| 0% gedurende 10 jaar | 2% inflatie per jaar | Ongeveer 18% minder koopkracht |
Dezelfde som met 3,0% HICP in plaats van 3,4% CPI komt uit op ongeveer 3,9% reëel bij 7% nominaal. Dat is een berekening, geen gepubliceerd cijfer. Ook met de doelstelling van 2% erodeert stilstaand geld nog met bijna een vijfde in tien jaar, alleen duidelijk trager dan met 3,4%.
Waarom een passief indexfonds de inflatie niet zelf opvangt
U koopt maandelijks bij in een breed indexfonds en kijkt er verder niet naar om, een beproefde manier om koersschommelingen te dempen wanneer u een defensieve beleggingsportefeuille opbouwt. Dat is precies de kracht van een buy-and-hold strategie met lage kosten en weinig transacties. Het fonds volgt alleen de index en schuift niets bij als de prijzen oplopen.
Er komt geen hand tussen die schakelt naar activa die beter tegen inflatie kunnen. De verdeling blijft die van de index, aankoop na aankoop. Het geldontwaarding risico voor uw beleggingen loopt dus gewoon mee met de markt.
Het eerste kanaal loopt via de rente, zoals de Nederlandsche Bank beschrijft. Klimt de inflatie, dan klimt de rente vaak mee en daalt de waarde van bestaande aandelen en obligaties. Hetzelfde pakket bedrijven is op de beurs minder waard zodra geld lenen duurder wordt, zonder dat één bedrijf minder heeft verkocht.
Het tweede kanaal loopt via de verwachte winsten van bedrijven. De waarde van een aandeel hangt aan de winst die beleggers in de toekomst verwachten, en die verwachting ademt inflatie. Een bedrijf dat hogere kosten kan doorberekenen in de verkoopprijs beschermt zijn marge, een bedrijf dat dat niet kan ziet zijn marge slinken. Een brede index bevat beide soorten bedrijven en houdt ze in dezelfde verhouding aan.
Passief of actief verandert niets aan die twee kanalen. Het verschil zit alleen in de sturing: buy-and-hold ondergaat de golf in plaats van te laveren. Beleggen kan daardoor meer opleveren dan sparen op een spaarrekening, maar ook minder bij koersverlies of een relatief hoge spaarrente.
Hoeveel bescherming biedt een passief portefeuille op lange termijn?
Kijk heel ver uit, dan ontstaat een ander beeld dan in één inflatiejaar. In de Verenigde Staten brachten aandelen over 1900 tot 2025 ongeveer 6,6% per jaar op in reële termen, bij ongeveer 2,9% inflatie per jaar, een historisch cijfer dat vaak als uitgangspunt geldt voor vermogensopbouw op de lange termijn. Eén dollar uit 1900 had na 125 jaar de koopkracht van 38 dollar van nu nodig. Dat is geen belofte voor Nederland en geen netto rendement na kosten van een ETF, alleen een historisch orde van grootte.
Aandelen zijn daarmee geen automatische paraplu tegen inflatie. In perioden met hoge groei en lage inflatie vallen de reële rendementen van aandelen én obligaties meestal hoger uit. Een decennium met rustige prijzen geeft bij dezelfde index een ander reëel resultaat dan een decennium met gespannen prijzen, en dat geldt ook voor een goed gespreide portefeuille.
Hetzelfde geldt voor goud. In 28 jaren met meer dan 3% inflatie sloot goud 13 keer negatief af. Het edelmetaal kan zijn waarde over zeer lange tijd vasthouden, maar het dekt u niet elk jaar af. Trek er dus geen conclusie uit voor twaalf maanden.
Die bescherming op lange termijn vraagt een prijs in risico. Sinds 1900 verloren aandelen en obligaties meerdere keren meer dan 70% in reële termen. U ziet hier beide kanten van hetzelfde cijfer: wie mikte op behoud van koopkracht via de markt, reisde door diepe dalen heen. Deze uitleg beschrijft dat mechanisme en beveelt geen weging, product of instapmoment aan.
Over de auteur
Geschreven door De redactie
Samen Bouwen